Egyptologica Educatief:
Kaart van Egypte
 
1. Tempel en geschiedenis van Edfoe
Bart Van Dooren

Edfoe, halfweg tussen Luxor en Aswan, is één van de a title for voornaamste toeristische trekpleisters in het moderne Egypte. Dat is te danken aan de uitzonderlijk goed bewaarde Horustempel. In geen enkele andere tempel uit de Ptolemaeïsche periode kan een moderne bezoeker zo’n goede indruk opdoen van hoe een tempel uit die periode er uitgezien moet hebben. Wel moeten we tegenwoordig de kleuren erbij denken, want de beschildering is verdwenen.

De bouw van de huidige tempel omspant bijna de hele Ptolemaeïsche periode. Aan de kern van het bouwwerk (i.e. van de naos tot de zuilenzaal) is begonnen op 23 augustus 237 v.Chr. Dat gedeelte werd op 10 september 142 v.Chr. door Ptolemaeus VIII Euergetes II en Cleopatra II ingewijd.
Tussen 140 en 124 v.Chr. werd een pronaos aan de tempel toegevoegd, waarin onder andere de bibliotheek van de tempel (de per-medjat) een plaats had. De boeken uit de bibliotheek zijn uiteraard verdwenen, maar we kunnen wel nog de catalogus van de titels aflezen van de wanden.

In de periode van 116 tot 71 v.Chr. werden een hof en een pyloon voor de bestaande tempel gebouwd. Vroeger stonden er ook twee obelisken, maar die hebben de tand des tijds niet kunnen doorstaan.
Het geheel werd omgeven door een tichelstenen muur, waarvan enkel de zuidwesthoek blootgelegd is. Naast de tempel (aan de kant van de Nijl) moet deze muur ook een heilig meer, voorraadkamers, stallen, keukens en allerlei gebouwen voor de clerus en de administratie hebben omvat. Al die constructies zijn intussen verdwenen.

Vóór de tempel staan de resten van een mammisi, een geboortehuis, gewijd aan de triade Horus, Hathor en Harsomtoes. De cartouches op dit gebouwtje zijn allemaal van Ptolemaeus VIII Euergetes II, maar er zijn vermoedens dat Ptolemaeus XII Neos Dionysos ook heeft bijgedragen tot de constructie. Tegenover dit geboortetempeltje stond aanvankelijk nog een tempeltje, gewijd aan de heilige valk, maar dat gebouwtje is eveneens verdwenen.

De stad en de tempel van Edfoe lagen tot 1860 begraven onder het moderne stadje Edfoe. Dat zien we onder andere op gravures van reizigers uit de 18de en 19de eeuw. In 1860 werd een begin gemaakt met de blootlegging van de tempel door de bekende Franse archeoloog-egyptoloog Auguste Mariette. Later werd zijn werk verdergezet door verscheidene Franse en Poolse opgravingsteams. M. de Rochemonteix en E. Chassinat stonden in voor de publicatie van de talrijke teksten op de muren van de tempel. De tempel mag dan al helemaal blootgelegd zijn, grote delen van de oude stad bevinden zich tegenwoordig nog steeds onder de moderne huizen.

De stad Edfoe stond in de faraonische periode bekend onder de naam Djeb. De stad werd ook wel aangeduid als Behdet, maar dat is veeleer een religieuze dan een administratieve aanduiding. In het Koptisch werd Djeb Etbo, en de Grieken herdoopten de stad tot Apollonopolis Megale.

De stad ligt op een zeer gunstige positie: op een rots temidden van een vruchtbaar gebied. Bovendien vertrekt er op de ene oever een piste naar Charga en Nubië en op de andere een piste naar de goudmijnen in het Oosten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Edfoe in de hele dynastieke periode een belangrijke rol heeft gespeeld in de Egyptische geschiedenis. Belangrijk daarbij zijn vooral de contacten met de nabijgelegen centra Hierakonpolis en Elkab. Vanaf de Eerste Tussenperiode is ook de relatie tot Thebe van kapitaal belang.

Al in het allervroegste begin van de faraonische periode bekleedt Edfoe een belangrijke positie. Er is een omvangrijke necropool aangetroffen uit het pre- en protodynasticum. De oudste met naam genoemde vorst is koning Djet van de eerste dynastie (ca. 2980 v.Chr.). Zoals voor veel sites het geval is, vinden we in Edfoe weinig materiaal uit het vroege Oude Rijk. Pas vanaf de vijfde dynastie begint de verzameling bronnen aan te groeien. De stad was intussen de hoofdstad van de tweede Opper-Egyptische gouw geworden. Op het einde van het Oude Rijk hebben we veel materiaal in deze stad, waarvan de gouwvorsten Qar en Izi als voornaamste figuren gelden. In de teksten van de beroemde Anchtifi in Moalla lezen we hoe hij de gouw van Edfoe inlijft. Een beetje later komen we de stad weer tegen in de historische teksten, ditmaal aan de zijde van Antef van Thebe.

Uit de periode tussen het midden van de dertiende en de zeventiende dynastie hebben we uitzonderlijk veel materiaal. Het gaat daarbij vooral om stèles, beelden en offerandetafels, afkomstig uit de cultusinstellingen van Izi. Dat is dezelfde Izi als de hoger vermelde gouwvorst. Net zoals in Aswan Heqaib wordt vereerd, wordt in Edfoe Izi vereerd als een lokale heilige. In dezelfde periode kent de stad ook een belangrijke uitbreiding, waarbij de Oude-Rijksnecropool binnen de stadswallen komt te liggen en wordt overbouwd.

In de Tweede Tussenperiode gaat Edfoe opnieuw een alliantie aan met Thebe voor de bevrijding van het land. Het wordt voor die inspanningen beloond met bijzonder veel aandacht vanwege de nieuwe koningen. In de voorhof van de tempel zijn heel wat resten van gebouwen en beelden van Thoetmosissen en Amenhoteps aangetroffen. Wellicht maakte al dat materiaal ooit deel uit van een tempel, de voorloper van de huidige grote Ptolemaeïsche tempel. Ook de Ramessieden vergaten Edfoe niet. Uit deze periode is een pyloon bewaard, die haaks op de huidige tempel-as staat en waarop de namen van Seti II en Ramses III en IV staan vermeld. De necropool van de stad bevindt zich in deze periode niet meer net naast de stadsmuur, maar wordt verplaatst naar Hagar Edfoe, 4 kilometer ten westen van de stad.

In de Derde Tussenperiode en de Late Tijd blijft Edfoe een belangrijk provinciaal centrum en een gerespecteerd religieus oord. De graven van die periode vinden we 12 kilometer ten zuiden van de stad.

In de Grieks-Romeinse en Byzantijnse periode wordt de stad weer uitgebreid over oude necropolen heen. Zo vinden we Griekse bewoningslagen bovenop de graven uit de Eerste Tussenperiode en het Middenrijk.

Dit korte overzicht van de geschiedenis van de stad Edfoe toont dat de stad meer was dan de tempel alleen en ook al een belangrijke rol heeft gespeeld vóór er van een grote tempel sprake was. Onder de moderne huizen is wellicht nog een schat aan informatie te vinden over het dagelijkse leven in - en de ontwikkeling van - de stad in de loop der tijden. Maar om dat te kunnen onderzoeken zouden eerst een heleboel mensen onteigend moeten worden en dat ligt nu iets gevoeliger dan in de tijd van Mariette.


2. Enkele reliëfs uit de tempel van Edfoe
René Preys

De tempel van Edfoe behoort tot de best bewaarde tempels van Egypte. Dat laat ons toe de versiering van de tempel als afgesloten geheel te bestuderen. Vanaf de pyloon tot aan het heiligdom is de tempel bedekt met offertaferelen die voortdurend hetzelfde lijken te zeggen maar die in feite zeer sterk van elkaar verschillen. De decoratie van een tempel is een taal op zich met bepaalde grammaticale regels die de lezer moet kennen vooraleer hij de taal wil begrijpen. Zo vinden we op de pylonen de traditionele voorstelling van de farao die zijn vijanden neerslaat. In het heiligdom wordt het dagelijks ritueel geïllustreerd. Maar naast de vele offertaferelen bevat de tempel van Edfoe echter ook een aantal teksten en voorstellingen die eigen zijn aan deze tempel.

De meeste illustreren de feesten van de tempel. Op de basis van de zuidelijke muur van de hof–in feite de basis van de muren van de pyloon–vinden we een lange tekst die het feest van de Goede Bijeenkomst beschrijft (zie figuur). Tijdens dit feest in de maand Epiphi verliet Hathor haar tempel in Dendera en verbleef zij gedurende veertien dagen in Edfoe. Deze navigatie van de godin is afgebeeld bij de tekst. Op het oostelijk massief van de pyloon zien we de rivierboot van de godin aankomen in Edfoe. Ze wordt getrokken door de koninklijke boot en vergezeld door de boot van Horus. De draagbare barken worden vervolgens naar de tempel gedragen en in een kapel geplaatst waar de rituelen uitgevoerd worden. Op het westelijk massief van de pyloon zien we de godin opnieuw vertrekken naar Dendera. Aangezien de boten nu stroomafwaarts kunnen varen, zijn hun zeilen niet gestreken.


Op de noordelijke binnenwand van de omheiningmuur staan de teksten en de taferelen van het feest van de Valk. Tijdens dit feest koos Horus van Edfoe een levende valk uit de volière van de tempel. Gedurende een jaar zou deze valk de personificatie zijn van de god op aarde. De taferelen tonen het beeld van Horus dat samen met de levende valk in processie wordt gedragen.

Op de westelijke binnenwand vindt men op twee registers een aantal taferelen waar Horus afgebeeld is in een bark. Deze illustreren het feest van de Overwinning wanneer Horus de vijanden van de zonnegod versloeg. In het eerste register zien we Horus die op een nijlpaard staat terwijl hij zijn harpoen in de kop van het dier stoot. Het nijlpaard en ook de krokodillen in de andere taferelen symboliseren de vijanden van de goden. In een ander tafereel zien we de sfinx die de vijanden vertrappelt. Ook de vijanden op het land worden vernietigd. Zo wordt Horus afgebeeld staande op de rug van een oryx eveneens een dier dat de vijanden symboliseert. Horus wordt door verschillende goden bijgestaan o.a. door Astarte op haar strijdwagen.

Ook binnenin de tempel trekken een aantal taferelen de aandacht. Op het plafond van de Wabet zien we een grote vrouwelijke Noet-figuur die de hemel voorstelt (zie figuur). Onder haar lichaam zien we de twaalf vormen van de zonnegod waaronder de oude man die op een stok leunt en het kind dat verschijnt tussen de horens van de oerkoe.

In de kleine hypostyle zaal vindt men op de noordwand grote afbeeldingen van de goddelijke barken. Aan de westkant bewierookt de koning de bark van Horus die versierd is met twee valkenkoppen gekroond met een zonneschijf. Aan de oostkant schudt de koning het sistrum voor de bark van Hathor met de boeg en achtersteven in de vorm van een vrouwelijk hoofd met de horens en de zonneschijf.